Pluimveeweb: WUR: 'Nieuwe LNV-stoppersregeling niet interessant voor pluimveehouders'

04-11-2021
Naar verwachting zullen pluimveehouders weinig animo tonen voor de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (Lbv) die het ministerie van LNV momenteel ontwerpt. De huidige goede inkomens en het positieve marktperspectief maken de voorgestelde vergoeding van 65 procent van de gecorrigeerde vervangingswaarde van stallen plus een volledige vergoeding van de waarde van de productierechten, voor de meest pluimveehouders oninteressant. Die conclusie trekken onderzoekers van Wageningen University & Research (WUR) na een oriënterend onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van LNV.

Om de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden te verminderen initieerde het ministerie van LNV de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (Lbv). In deze vrijwillige beëindigingsregeling versterkt LNV een vergoeding voor de gecorrigeerde vervangingswaarde van stallen plus de waarde van productierechten. Deze regeling zal naar verwachting in de loop van 2022 worden opengesteld en heeft betrekking op melkvee-, varkens- en pluimveebedrijven. In het kader van het opstellen van de voorwaarden voor deze Lbv regeling heeft het ministerie van LNV aan WUR gevraagd te onderzoeken of deze regeling ook aantrekkelijk is voor voldoende bedrijven om ermee te stoppen als naast volledige vergoeding van de waarde van de productierechten, 65 procent van de gecorrigeerde vervangingswaarde/boekwaarde van stallen wordt vergoed.

Positief marktperspectief

Volgens de onderzoekers van WUR zorgen de huidige goede inkomens en het positieve marktperspectief ervoor dat de voorgestelde vergoeding van 65 procent van de gecorrigeerde vervangingswaarde van stallen plus een volledige vergoeding van de waarde van de productierechten, voor de meeste pluimveehouders oninteressant is. Zo waren bij de leghennen de inkomens goed in de laatste vier jaren. Het gemiddelde over 2017 tot en met 2020 was 98.000 euro per arbeidsjaareenheid. Wel is de spreiding binnen een jaar tussen de bedrijven extreem groot. Voor een verklaring van deze verschillen wijst WUR naar de diversiteit in houderijsystemen en het marktsegment waar de producten worden afgezet. Ook spelen vakmanschap (goede technische resultaten) en ondernemerschap (hogere opbrengstprijzen) een rol. Verder was in 2020 een grote vraag naar eieren van hennen met vrije uitloop en biologische eieren, waardoor deze leghennenhouders hogere contractprijzen ontvingen.

Vleeskuikens

Volgens WUR kende de vleeskuikenhouderij enkele jaren met zeer goede inkomens. In de jaren 2014 tot en met 2018 lag het inkomen per arbeidsjaar op 100.000 euro of hoger. In 2020 was het inkomen lager door de Corona-crisis. Bedrijven met reguliere vleeskuikens beurden lage opbrengstprijzen terwijl bedrijven die participeren in bepaalde marktconcepten (langzaam groeiende kuikens) de normale contractprijzen beurden. Hierdoor ontstaat een tweedeling tussen bedrijven die leveren voor de Nederlandse supermarkten of bedrijven die leveren aan de foodservice of voor export. In de vleeskuikenhouderij is de spreiding in inkomen extreem groot. Factoren die hierbij een rol spelen zijn vakmanschap, ondernemerschap, maar ook regulier versus concept.

Toekomst

De WUR onderzoekers concluderen dat de inkomens in beide pluimveesubsectoren vleeskuikens en leghennen zowel langjarig als recent op een goed tot hoog niveau liggen. Verder is er sprake van stabiele inkomensverwachting voor de komende jaren. De marktverwachting voor pluimvee is dat, na corona, de inkomens weer op het langjarig gemiddelde komen in de orde van 60.000 tot 80.000 euro. Voor pluimveevlees (en ook eieren) groeit de markt nog steeds en is er voldoende toekomstperspectief om door te gaan met het bedrijf.

Stoppen

WUR geeft aan dat er voor veehouders drie belangrijke redenen zijn om te stoppen: leeftijd in combinatie met het ontbreken van een opvolger, het ontbreken van ontwikkelingsmogelijkheden op de locatie en een uitweg uit een laag inkomen en hoge schulden. Voor pluimveehouders zijn er momenteel echter weinig redenen om te stoppen. In de leghennenhouderij en de vleeskuikenhouderij waren de laatste jaren de inkomens goed tot zeer goed. Ook het marktperspectief is goed, vanuit het perspectief van de voorgaande coronacrisis. Waar pluimveehouders toch zullen stoppen zal dat zijn vanwege leeftijd van de ondernemer en het ontbreken van een opvolger. Volgens het CBS heeft meer dan de helft van de pluimveehouders ouder dan 55 jaar een opvolger. Dat is in vergelijking met de varkenshouderij een hoog percentage. In een enkel geval zal een pluimveehouder stoppen omdat de locatie dicht bij een Natura 2000-gebied ligt en het bedrijf daardoor belemmerd wordt in de ontwikkelingsmogelijkheden.

Kleinere deelsectoren

Naast de hoofdsectoren leghennen (scharrel) en vleeskuikens kunnen er in enkele kleinere deelsectoren wel minder gunstige omstandigheden zijn, die ondernemers kunnen doen overwegen om te stoppen. Voorbeelden hiervan zijn volgens de WUR-onderzoekers: vleeskuikenouderdieren (sterk exportgericht op derde landen met veel risico’s), vleeskalkoenen (export van levende kalkoenen naar Duitsland is nodig door het ontbreken van een slachterij in Nederland; en een hoog risico van specifieke dierziekten) en leghennen in koloniehuisvesting (een onzekere markt en een mogelijk wettelijk verbod op huisvesting van leghennen in kooien). Daar staat tegenover dat er een grote vraag is naar staloppervlakte en bedrijfslocaties door andere ondernemers. Immers veel ondernemers met goede resultaten zoeken naar uitbreidingsmogelijkheden.

Concurrentie

Veel bedrijven die in de afgelopen jaren een hoog inkomen behaalden, willen uitbreiden, vanwege het goede toekomstperspectief. Dit doen ze vaak via het opkopen van bestaande locaties. Doordat veel bedrijven omschakelen naar concepten (met een lagere bezetting in de stal) is er extra vraag naar staloppervlakte. Omdat het krijgen van vergunningen voor nieuwbouw lastig is, is er vooral vraag naar bestaande bedrijven en locaties. Dit betekent voor de overheid dat ze zal moeten concurreren op de vrije markt waar veelal meer betaald wordt dan de boekwaarde van de stallen.

Conclusie

Omdat in de pluimveehouderij de regeling moet concurreren met de grote vraag en hoge prijzen voor bedrijven in de vrij markt, zal er bij pluimveehouders waarschijnlijk weinig belangstelling bestaan voor de voorgestelde Lbv-regeling van LNV. Mogelijk zal een vergoeding van 65 procent van de boekwaarde van stallen plus vergoeding van de waarde van de productierechten wel interessant kunnen zijn voor een deel van varkenshouders en een aantal melkveehouders.

Het volledige rapport kunt u hier lezen

 
 

Inloggen op de ledenportal