De regels voor dierenwelzijn in de veehouderij worden de komende jaren flink aangescherpt. Vanaf 2028 gelden de eerste nieuwe verplichtingen en daarna volgen stapsgewijs strengere eisen voor onder meer varkens, pluimvee, kalveren en rundvee. Het gaat onder meer om meer ruimte, aanpassingen in stallen, groepshuisvesting en beperkingen op ingrepen bij dieren.
De veehouderij moet in 2040 zodanig zijn ingericht dat het houderijsysteem is aangepast aan de behoeften van het dier in plaats van andersom. Dierwaardig wordt dat in bestuurlijke kring genoemd. In de Algemene Maatregel van Bestuur Dierwaardige veehouderij van staatssecretaris Silvio Erkens staan de wettelijke maatregelen die daarvoor worden genomen.
De AMvB is bedoeld als wettelijke stok achter de deur voor de achterblijvers en sluit aan op de afspraken die sector- en ketenpartijen samen met de Dierenbescherming en de overheid in het Convenant Dierwaardige veehouderij hebben gemaakt over meer dierenwelzijn. Via die route moeten koplopers beloond worden voor hun hoogwaardigere product, zodat de investeringen terugverdiend kunnen worden.
Lees verder onder het kader
Deze welzijnsregels gelden vanaf 2028
Als de AMvB wordt vastgesteld, worden de eerste maatregelen in 2028 van kracht. Een overzicht.
Alle sectoren
- Alle veehouders die een bedrijfsgezondheidsplan moeten maken, moeten per 2028 ook een thermoregulatieplan maken.
- In dat plan beschrijft de veehouder wat te doen bij extreme weersomstandigheden, zoals hitte en kou.
Varkenshouderij
- Ruwvoer moet permanent beschikbaar zijn voor drachtige gelten en zeugen en voor gespeende biggen.
- Biggen moeten vanaf zeven dagen permanent toegang hebben tot water en voer, waarbij het voer zodanig wordt aangeboden dat de zeug en de biggen elkaar kunnen zien.
- De minimale speenleeftijd van biggen wordt verhoogd naar 25 dagen.
- Roosters in stallen voor gespeende varkens met volledige roostervloeren moeten gedeeltelijk worden afgedekt, in aanloop naar een verplichte gedeeltelijk dichte vloer.
- Hoektanden van biggen mogen alleen worden gevijld als daar een veterinaire noodzaak voor is.
- Bij het couperen van staarten moet minimaal 3 centimeter van de staart overblijven, in 2029 wordt dat 5 centimeter.
- Aanbieden van een schuurmogelijkheid.
Pluimvee
- Verbod op nieuwbouw van koloniehuisvesting bij pluimvee.
- Verplicht acht uur aaneengesloten donkerperiode voor alle pluimveecategorieën behalve vleeskuikens.
- Per juli 2028 verbod op behandeling van de achterste teen bij fokhanen en per september 2028 verbod op snavelbehandeling bij legouderdieren, (over)grootouderdieren, eendagskuikens voor export en kalkoenen.
Kalveren
- Volledig verbod op het aanbinden van kalveren tijdens het voeren.
- De minimale transportleeftijd voor Nederlandse kalveren binnen Nederland wordt 28 dagen.
- Permanente toegang tot ruwvoer voor kalveren vanaf veertien dagen (voor blankvleeskalveren per 2030).
Rundvee
- Verbod op nieuwbouw van aanbindstallen voor rundvee.
- Verplichte aanwezigheid van schuurvoorzieningen voor volwassen runderen.
Harde deadlines voor ‘eenvoudige’ welzijnsmaatregelen
Erkens heeft het voorstel van zijn voorganger op sommige punten aangescherpt, maar is de veehouderij soms ook tegemoetgekomen, zodat maatregelen beter uitvoerbaar zijn. “Alleen dan kunnen ondernemers de noodzakelijke investeringen doen en kan de transitie naar een dierwaardige veehouderij daadwerkelijk slagen”, schrijft Erkens in zijn brief aan de Kamer. Voor relatief ‘eenvoudig’ te nemen maatregelen om het dierenwelzijn te verbeteren, zijn termijnen gesteld en wordt vooraf geen evaluatietoets meer gedaan. Erkens wil zo duidelijkheid bieden aan veehouders over maatregelen die het kabinet sowieso wil nemen. Bij ingrijpende maatregelen, die forse investeringen en bijvoorbeeld aanpassingen van stallen vereisen, wordt voor de inwerkingtreding wel getoetst of het voor de veehouder haalbaar is en of de investeringen ook terug te verdienen zijn. Een onafhankelijke Autoriteit Dierwaardige veehouderij gaat hier een belangrijke rol bij spelen.
Afspraken met markt- en ketenpartijen
De extra eisen voor een hoger niveau van dierenwelzijn vragen niet alleen veel van veehouders, ook andere ketenpartijen, zoals supermarkten en verwerkers, hebben een rol. “Alleen als de hele keten meedoet, kunnen we deze omslag op een realistische manier maken, met oog voor het verdienvermogen van boeren”, aldus Erkens. Hij wil begin volgend jaar concrete afspraken maken met markt- en ketenpartijen over bijvoorbeeld het vergroten van het aanbod van dierwaardige producten en nieuwe exportmarkten.
Vanuit de veehouderij wordt met enige zorg gereageerd op de plannen. Hoewel veel normen en regels niet nieuw zijn, klinkt er grote bezorgdheid over de haalbaarheid. De wettelijke maatregelen zitten in sommige gevallen wel erg kort op de afspraken in het convenant.
Harm Albring van LTO Melkveehouderij kijkt met enige bezorgdheid naar de politieke behandeling van de AMvB. “Het is echt een totaalpakket in combinatie met het Convenant. Daarin hebben we als melkveehouderij met de Dierenbescherming in de routekaart ambitieuze afspraken gemaakt om het dierenwelzijn te verbeteren. Die lijn moeten we aanhouden om het ook uitvoerbaar en betaalbaar te houden voor melkveehouders”, aldus de LTO-melkveebestuurder. Hij hoopt dat de politiek het belang van dit totaalpakket blijft zien en de AMvB als de wettelijke borging om de achterblijvers ook mee te nemen. Albring is ook bezorgd over de integraliteit van de plannen, zeker in combinatie met het stikstofpakket, dat voor de melkveehouderij ook zeer ingrijpend is. De gevolgen van dierenwelzijnsmaatregelen voor de emissies zijn volgens hem onvoldoende bekeken, ondanks de nadruk van het ministerie dat alles integraal bekeken moet worden.
Varkenshouderij: hoge kosten
Linda Verriet, voorzitter van de Producentenorganisatie voor varkenshouders (POV), vreest ook dat de wettelijke borging het verdienmodel juist onder het Convenant weghaalt. “Koplopers worden hiermee juist tegengewerkt”, vindt Verriet. Uit onderzoek van Wageningen UR blijkt dat de maatregelen voor een vleesvarkensbedrijf jaarlijks ruim €200.000 extra kosten met zich meebrengen. Voor zeugenbedrijven loopt dit zelfs op tot €400.000 per bedrijf, een veelvoud van de kosten voor andere sectoren. Verriet wil daarom snel met Erkens in gesprek over de haalbaarheid en betaalbaarheid van de plannen.
De meest impactvolle maatregelen zijn de verplichte vrijloopkraamhokken en meer ruimte voor vleesvarkens, waarbij er functiegebieden in de hokken moeten komen. Hieraan werkt de sector zelf ook al in het Actieprogramma Vitale Varkenshouderij, maar nu wordt dit wettelijk vastgelegd. “De maatregelen vragen eigenlijk van varkenshouders dat ze nieuwe stallen bouwen, omdat deze aanpassingen in bestaande stallen niet te realiseren zijn. Het is daarom goed dat er evaluatiemomenten zijn ingesteld om te bepalen of het haalbaar en verantwoord is om de volgende stap te zetten.”
Varkensstaarten
In de AMvB is ook opgenomen dat per 2030 geen varkensstaarten meer worden gecoupeerd. Couperen is al lang onderwerp van gesprek, omdat het niet eenvoudig is om staartbijten te voorkomen bij varkens. Het is behoorlijk kostprijsverhogend, terwijl dit moeilijk is terug te verdienen uit de markt. “Bovendien zijn er risico’s: hoe wordt bijvoorbeeld omgegaan met schade aan staarten voor het transporteren van varkens en slachtwaardigheid?”, vraagt Verriet.
Kalverhouderij: kosten hoger dan verdiensten
De extra maatregelen leiden tot veel extra kosten voor kalverhouders, blijkt uit de impactanalyse van WUR: voor blankvleeskalverbedrijven tussen de €155.000 en €171.000 per jaar aan extra kosten. “Daarmee komen veel bedrijven op een negatief saldo uit. Het is dus van groot belang dat de Autoriteit het tempo kan bijsturen als blijkt dat het niet haalbaar is voor kalverhouders. Iedereen is voor een hoger dierenwelzijn, maar een realistische en haalbare uitvoering is wel essentieel om stappen te kunnen zetten”, aldus voorzitter Teus Kreuger van LTO Kalverhouderij.
Pluimvee: verbod op koloniehuisvesting
Ook in de pluimveehouderij zijn er zorgenpunten, zegt Ernest Bokkers van LTO Pluimveehouderij. Zo wordt de bezettingsgraad voor vleeskuikens verlaagd. “Het heeft een behoorlijk kostprijsverhogend effect en als blijkt dat er in de omringende landen geen markt voor is, zet dit de concurrentiepositie fors onder druk”, zegt Bokkers. Hij is positief dat het, ondanks de Nederlandse inzet op traaggroeiende rassen voor vleeskuikens, voor de vermeerderingssector wel mogelijk blijft om broedeieren van gangbare rassen te produceren voor de exportmarkt. De vraag naar deze broedeieren/kuikens blijft groot vanuit het buitenland. Het verbod op koloniehuisvesting voor legpluimvee heeft veel impact op de bedrijven die hier nog mee werken. “Gelukkig is er wel een hardheidsclausule ingebouwd dat de bedrijven dan wel een vergunning zouden moeten kunnen krijgen als ze gaan ombouwen naar een ander stalsysteem”, aldus Bokkers.
Veel open normen bij melkveehouderij
Voor de melkveehouderij kiest Erkens ervoor om veel normen open te houden. Voor weidegang worden geen wettelijke eisen vastgelegd, omdat Erkens vindt dat er een beter alternatief is om meer weidegang te realiseren, via het Convenant weidegang en de bestaande routes van marktconcepten en kwaliteitssystemen. Dat geldt ook voor kalf bij de koe, waar met de Dierenbescherming afspraken zijn gemaakt in de Routekaart om tot een dierwaardige melkveehouderij te komen.
Vanaf 2030 moet er in de stal wel voor elke melkkoe een ligplaats beschikbaar zijn. Daarnaast moeten de dieren meer ruimte krijgen: 9 vierkante meter per melkkoe per 2040. Voor nieuwbouw geldt vanaf 2030 een minimumnorm van 11 vierkante meter per melkkoe. Voordat de norm wordt aangepast, zal worden geëvalueerd of die haalbaar en betaalbaar is. Voor de overige categorieën runderen is geen vaste oppervlakte opgenomen in de AMvB, maar moet er voldoende ruimte zijn voor het dier om natuurlijk gedrag te vertonen. Voor kalveren wordt per 2030 groepshuisvesting verplicht vanaf een leeftijd van veertien dagen. Het beoogde verbod op onthoornen gaat in 2040 in, waarbij eerst getoetst zal worden of de praktijk er klaar voor is.
Vleesveehouderij: verbod op aanbindstal
Voor de vleesveehouderij is het verbod op aanbindstallen de meest ingrijpende maatregel. Dit verbod gaat per 2040 in, vijf jaar later dan het oorspronkelijke plan. “We denken dat ongeveer de helft van de vleesveehouders nog aanbindstallen heeft. Het zijn vooral hobbymatige veehouders die de dieren in de zomer weiden en in de winter op stal hebben”, legt Kostijn van Ginkel van LTO Nederland uit. Bijna 80% van de 1.000 bedrijven met vleesvee heeft minder dan tien runderen. “Het lastige bij aanbindstallen is dat ze bijna onmogelijk verbouwd kunnen worden naar bijvoorbeeld een potstal, omdat de emissies daarbij omhoog gaan en dan is het bijna onmogelijk om een vergunning te krijgen voor een ander stalsysteem”, aldus Van Ginkel.
De vleesveehouders zijn positief dat het verbod op castratie geschrapt is uit de AMvB. “Dat is voor weidegang van mannelijke dieren echt noodzakelijk”, aldus Kostijn. Een verbod op keizersnedes komt er niet, omdat dit als noodmaatregel mogelijk moet blijven. Via fokprogramma’s wordt wel blijvend ingezet op meer natuurlijke geboorten. Van Ginkel verwacht dat vleesveehouders meer zullen gaan kiezen voor andere rassen.
De AMvB wordt nu voorgelegd aan het parlement. Dat zal een stevig debat worden, gezien de verhoudingen in de Tweede Kamer en de situatie van het minderheidskabinet. De Dierenbescherming vindt ook dat de plannen wel wat ambitieuzer kunnen. Erkens erkent dit, maar vreest dat de veehouderij te grote stappen niet kan nemen. Het is een wankel evenwicht tussen maatschappelijke wensen en haalbaarheid voor de veehouderij.
Staatssecretaris Erkens: ‘Evenwichtig pakket voor meer dierenwelzijn’
Staatssecretaris Silvio Erkens noemt de wettelijke borging van dierwaardige veehouderij een evenwichtig pakket voor verbetering van dierenwelzijn met oog voor de uitvoerbaarheid. Vijf vragen.
Er komt veel op boeren af. Heeft het stikstofpakket de ambities voor dierenwelzijn beïnvloed?
“Jazeker. We hebben de AMvB aangepast omdat het wel haalbaar moet zijn wat we voorstellen. De maatregelen die mogelijk stalaanpassingen vergen, zijn afgestemd op de termijnen van de stikstofaanpak, zodat je niet twee keer je stal moet aanpassen, maar in één keer duidelijkheid krijgt. Daarnaast hebben we de maatregelen die vaak makkelijk in te voeren zijn naar voren gehaald en complexere maatregelen meer tijd gegeven, richting 2035 of zelfs 2040.”
Nieuwe stallen moeten vanaf 2030 aan hogere eisen voldoen. Hoe realistisch is dat, gezien de problemen met vergunningverlening en de beschikbaarheid van bewezen technieken?
“Voor nieuwe stallen waar stalconcepten voor beschikbaar zijn, is de deadline 2030. Voor bestaande stallen kiezen we bewust een latere datum, dat vraagt meer aanpassingen. Maar voor alles geldt: er komt eerst een evaluatiebepaling. We zijn afhankelijk van vergunningverlening en boeren kunnen niet gehouden worden aan het onmogelijke. Ik verwacht niet dat er op grote schaal gebouwd zal worden. Maar het is belangrijk dat er voor veehouders die stappen willen zetten duidelijkheid is over de normen die gaan gelden.”
De veehouderij heeft grote zorgen over de gevolgen van deze regels voor het verdienmodel.
“De ketenaanpak is een essentieel onderdeel om dierwaardige veehouderij te laten slagen. Je wil het gelijke speelveld borgen voor producenten en je wil ervoor zorgen dat de consument weet én kiest voor producten die kwalitatief hoogwaardiger zijn en voldoen aan duurzaamheidseisen die we met elkaar stellen.”
Maar afnemers gaan veehouders niet meer betalen voor een product dat aan de wettelijke eisen voldoet, zoals in de AMvB.
“Daarom maken we afspraken om de afzetmarkt zo goed mogelijk te krijgen, zodat ze ook een meerprijs krijgen voor deze producten. Voor de grotere aanpassingen – zoals stalaanpassingen – gaan we als overheid ook financiële ondersteuning bieden, zodat veehouders niet alleen de extra kosten hoeven dragen.”
Verwacht u geen problemen met mededingingsregels?
“Er is best ruimte om wat te doen. Dierwaardigheid kent met het Beter Leven-keurmerk al best een geslaagd concept. Je kunt dus best iets doen. Daar gaan we ook afspraken over maken met de keten. Daarnaast ben ik met de Duitse bewindspersoon in gesprek over certificering van dierwaardigheid op vleesproducten. Op die manier kijken we hoe we dat ook in Europa kunnen gaan neerzetten, zodat ook de consument weet dat een product vanuit Nederland, Duitsland en Scandinavië aan andere standaarden voldoet dan andere producten in Europa.”
Zo gaat het verder met de nieuwe welzijnsregels
De ontwerpregeling ligt nu voor bij het parlement. De verwachting is dat er veel discussie zal zijn. De meningen over dierenwelzijn in de Tweede Kamer zijn nogal verdeeld en met het huidige minderheidskabinet is er niet automatisch een meerderheid voor het plan. Dit zou kunnen leiden tot aanpassingen. Na de behandeling door de Tweede en Eerste Kamer wordt het ontwerp voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Daarna kan de AMvB definitief worden vastgesteld. De eerste maatregelen gaan naar verwachting in 2028 in.
Convenant loopt ondertussen door
Ondertussen gaat het Convenant ‘Stappen naar een dierwaardige veehouderij’ gewoon door. Daarin werken de partijen aan het zorgen voor de juiste omstandigheden (kennis, afzet, technieken) voor een goede implementatie in de veehouderij. Nog dit jaar wordt in het Convenant een onafhankelijke autoriteit dierwaardigheid opgericht, die gaat beoordelen of volgende welzijnsmaatregelen haalbaar zijn op basis van de beschikbare kennis (heeft een maatregel echt zin?), de beschikbare technieken (zijn er effectieve maatregelen beschikbaar?) en de afzetmogelijkheden op de markt (is er markt voor?). De autoriteit kan beoordelen of de stappen sneller of juist langzamer genomen moeten worden. Deze autoriteit zal ook een rol krijgen bij de evaluatietoetsen voor de wettelijke normen, waarbij gekeken wordt of wettelijke eisen haalbaar zijn.
Als deze AMvB is vastgesteld, zal vervolgens worden gewerkt aan regels voor de kleinere veehouderijsectoren: de geiten- en konijnenhouderij en de eenden- en kalkoensector.
