Nico Bondt nam in 2025 het stokje over van Peter van Horne als pluimvee-econoom van Wageningen University & Research. Bondt heeft veel ervaring met economisch onderzoek en kent de sector. Hij kijkt terug op het financiële topjaar 2025 en blikt vooruit. “Dat het zo’n extreem goed jaar zou worden, had niemand aan zien komen.”
Bondt nam het stokje over van Van Horne. “In eerste instantie zijn we op zoek gegaan naar een jongere opvolger, die dit net als Peter ook weer tientallen jaren zou kunnen gaan doen. Dat is niet gelukt. Het werk van Peter pakken we als pluimveeteam op, waarbij ik vooral samenwerk met mijn collega’s Jamal Roskam en Mariël Benus.” Foto: Koos Groenewold
Nederlandse pluimveehouders beleefden in 2025 een financieel topjaar. Leghennen- en vleeskuikenhouders realiseerden recordinkomens. Op het gemiddelde leghennenbedrijf met in de steekproef ruim 51.000 hennen werd een inkomen van € 848.100 genoteerd. Het gemiddelde vleeskuikenbedrijf met in de steekproef 61.000 kuikens kwam tot een inkomen van € 537.800. Deze bedrijfsinkomens liggen ruim boven het jarenlang gemiddelde. Nico Bondt kijkt met een nuchtere blik naar de topinkomens.
Dat het zo’n extreem goed jaar zou worden, had niemand aan zien komen
Pluimvee-econoom Nico Bondt (60) begon zijn werkzame leven bij het Consulentschap Varkens- en Pluimveehouderij in Tilburg als bedrijfsvoorlichter leg. Daarna ging hij aan de slag bij het Informatie en Kennis Centrum (IKC) Pluimveehouderij. Sinds 1998 werkt Bondt bij Wageningen Social & Economic Research, dat toen nog het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) heette. Hij bekleedde er verschillende functies, onder andere als projectmanager, en heeft de eerste vijftien jaar vooral gewerkt aan de monitoring en vermindering van het antibioticagebruik. Vorig jaar nam Bondt het stokje over van Van Horne.
Hoe kijkt u terug op het financiële topjaar voor pluimveehouders?
“In de pluimveesector wordt al een paar jaar goed verdiend. Dat het zo’n extreem goed jaar zou worden, had niemand aan zien komen. Dat is echt uitzonderlijk. Er wordt soms heel verbaasd gereageerd op de enorm hoge inkomens. Die spreken ook tot de verbeelding. Als pluimvee-econoom wil ik de hysterie graag wat temperen en kijk ik uitzoomend vooral naar de langere termijn.”
Wat ziet u dan?
“Tussen 2005 en 2015 waren de rendementen redelijk, maar gemiddeld wel onder de 100%. Dat is echt onvoldoende. Vooral de laatste vijf jaar zijn de rendementen fors toegenomen. Daardoor hebben leghennen- en vleeskuikenhouders gemiddeld over de afgelopen twintig jaar een heel net rendement van 105% gerealiseerd. Zo’n marge van zo’n 3 tot 5% is ook nodig. Het zou in mijn ogen normaal moeten zijn dat pluimveehouders iets overhouden aan hun activiteiten. Ze lopen de nodige risico’s en hebben investeringsruimte nodig.”
Wat verwacht u van 2026?
“De financiële voorspoed is heel mooi voor de sector. De prijzen van eieren en pluimveevlees zijn de afgelopen jaren fors gestegen. Het zou me verbazen als het jarenlang zo blijft doorgaan. De consumptie van eieren en pluimveevlees neemt in veel landen toe. Dat geldt eveneens voor de productie, ook al is dat niet zozeer in Nederland het geval. Er wordt geld verdiend en iedereen zit op het vinkentouw. Dat kan de hoge prijzen onder druk zetten.”
Gaan we dat dit jaar al merken?
“Dat is moeilijk te voorspellen. Vogelgriep heeft in Polen en Duitsland grote gaten geslagen in de productie. Het is de vraag in hoeverre we vogelgriep onder controle weten te krijgen. De huidige vogelgriepsituatie is zorgwekkend.
Vogelgriep hangt als een donderwolk boven de sector en vormt een groot risico
We hebben er geen grip op. Vogelgriep hangt als een donderwolk boven de sector en vormt een groot risico. Vaccinatie is niet zomaar geregeld. Het duurt waarschijnlijk nog wel een paar jaar voordat we een systeemverandering kunnen doorvoeren.”
Het Convenant Dierwaardige Veehouderij heeft richting 2040 veel impact op de bezetting bij leghennen en vleeskuikens. Hoe kijkt u daarnaar?
“Het is mogelijk om verder te verduurzamen, mits het geleidelijk en met goed beleid gebeurt. De politiek is vaak hijgerig en snel. Maar we moeten niet te ver voor de muziek uit gaan lopen. Het aanscherpen van wet- en regelgeving vraagt om investeringen. Die moeten aansluiten bij het investeringsritme van bedrijven. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn is het interessant om de bezetting te verlagen, maar het moet ook betaald worden. Je kan niet zomaar strengere criteria doorvoeren, als er vanuit de markt geen interesse is in producten die volgens een hogere standaard worden geproduceerd. Dan draai je de sector de nek om. Het moet behapbaar blijven, ook voor de consument. De omschakeling naar pluimveevlees met het Beter Leven-keurmerk 1 ster is wat dat betreft wonderwel goed gelukt. Dat is een prestatie van formaat, echt een unicum. Ik ken geen andere sector die zo’n grote sprong in duurzaamheid zo snel en zo goed voor elkaar heeft gekregen.”
Hoe beoordeelt u het huidige ondernemersklimaat voor pluimveehouders in ons land?
“Veel pluimveehouders krijgen geen ruimte om te ondernemen. Ze willen wel investeren in dierenwelzijn en emissies aanpakken, maar ze krijgen er geen vergunning voor. Veel pluimveehouders kunnen nu bijvoorbeeld geen overdekte uitloop realiseren, terwijl de politiek én de maatschappij daar wel om vragen. Het zal niet makkelijk zijn om uit die impasse te komen, maar het zal toch echt moeten.”
Wat betekent dit voor potentiële bedrijfsopvolgers?
“De situatie is bepaald niet hopeloos voor jonge pluimveehouders. Er zijn voldoende redenen om in te stappen. De sector scoort in economisch opzicht heel netjes. Dat is een groot pluspunt. Er is veel vraag naar eieren en pluimveevlees. Op het gebied van dierenwelzijn zijn al flinke stappen gezet. De producten hebben een lage carbon footprint. Ook de afzet van mest is goed geregeld.”
Hoe kijkt u als pluimvee-econoom naar de opkomst van de Unie van Pluimvee Producenten?
“Voor individuele pluimveehouders is het altijd een probleem geweest dat ze geen vuist konden maken richting hun afnemers. Als collectief slaagt de UPP (Unie van Pluimvee Producenten, red) daar wel in. Het is een mooie manier om als ondernemers samen op te trekken en een fatsoenlijke prijs te beuren. Ik heb me er nog niet echt in verdiept, maar heb wel de indruk dat de UPP succesvol is. Er zijn overigens ook andere manieren om als pluimveehouder een sterkere marktpositie te verwerven, bijvoorbeeld in een afzonderlijke keten. Dat vereist goede afspraken, waarbij alle partijen er wat aan moeten verdienen.”
Hoe kijkt u terug op uw eerste maanden als pluimvee-econoom bij WUR?
“Ik doe dit nu ruim vier maanden. Het ondernemerschap binnen de pluimveesector valt me op. Men heeft een proactieve houding en trapt niet steeds op de rem. De sector wil juist vooruit. Dat is fijn om te constateren en prettig om mee samen te werken.”
Wat staat er voor u op de rol in 2026?
“Ik ga me onder meer bezighouden met de uitdagingen rondom vogelgriepvaccinatie. Wat betekent vaccinatie voor internationale handelsbetrekkingen en hoe ziet het kostenplaatje eruit? Daarnaast ga ik ongetwijfeld aan de slag met dierenwelzijn en het Convenant Dierwaardige Veehouderij. Ook in dat dossier zijn economische analyses onmisbaar.”
U bent de opvolger van Peter van Horne. Hij was ruim veertig jaar als pluimvee-econoom aan WUR verbonden. Welke lessen heeft u van hem meegekregen?
“Peter is geen leraar geweest die me vanuit een soort alwetendheid raad heeft gegeven. Wel hebben we de afgelopen jaren nog meer met elkaar samengewerkt en dat is heel leerzaam geweest. Hij heeft me vooral ook gewezen op het belang van samen optrekken met de sector. Bij vragen van het ministerie en ngo’s nam Peter vaak snel even contact op met een paar mensen uit de sector, om een evenwichtig beeld te kunnen vormen. Ik wil zelf ook graag in verbinding staan met de sector, al zal ik dat op mijn eigen manier invullen. Hoe dan ook moet je als wetenschapper vragen altijd vanuit verschillende kanten blijven bekijken, en zeker ook vanuit economisch perspectief.”
U begon uw werkzame leven ook in de pluimveesector. Maakt deze stap voor u de cirkel rond?
“Ja, zo voelt dat wel een beetje. In het begin van mijn carrière heb ik elf jaar in de pluimveesector gewerkt. Daarom is het leuk om deze stap te zetten en voelt het vertrouwd. Tot nu toe gaat het prima, dus blijf ik waarschijnlijk tot mijn pensioen actief als pluimvee-econoom.”
.png)
