Boerderij: Francisca Velkers (pluimveedierenarts en epidemioloog): ‘Consequent handelen voor goede bioveiligheid’

24-06-2026

Francisca Velkers (pluimveedierenarts en epidemioloog): ‘Consequent handelen voor goede bioveiligheid’

Als gepassioneerd pluimveedierenarts en epidemioloog deed Francisca Velkers de afgelopen jaren veel onderzoek naar vogelgriepbesmettingen bij pluimveebedrijven. Hoe komt het virus een bedrijf binnen, en wat kun je doen om risico’s te verkleinen? Veel onderzoek richtte zich op bioveiligheid. “Je moet consequent zijn én blijven.”

 

Francisca Velkers is een gepassioneerd pluimveedierenarts en epidemioloog. 


 

Vanuit de Faculteit Diergeneeskunde van Universiteit Utrecht was Franciska Velkers nauw betrokken bij het PPS-project ‘Risico Vogelgriep: insleeproutes en bioveiligheid’. Ook begeleidde zij binnen het Europese project ‘BIOSECURE’ gedurende een jaar meerdere leg- en vleeskuikenbedrijven bij het verbeteren van hun bioveiligheid. Naast pluimveedierenartsen, waren plaagdier- en vogelexperts en epidemiologen betrokken om samen met veehouders te bekijken waar in de dagelijkse praktijk winst te behalen valt. Uit bedrijfsbezoeken, gesprekken, bioveiligheidsscans, cameramonitoring en fluorescentietesten concludeerden de onderzoekers dat niet alleen de structuur en voorzieningen op bedrijven belangrijk zijn, maar dat ook menselijk gedrag een cruciale factor is.


Alles wat van buiten het bedrijf binnenkomt, moet je zien als mogelijk besmettelijk


Francisca Velkers is universitair hoofddocent aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht en onderzoeker in hart en nieren. Haar promotieonderzoek ging over darmgezondheid bij vleeskuikens. Daarnaast loopt het thema vogelgriep en bioveiligheid als een rode draad door haar carrière. Ze participeerde in nationale en internationale onderzoeksprojecten. Ook geeft ze onderwijs in epidemiologie en pluimveegezondheid aan masterstudenten Diergeneeskunde en ontwikkelt en verzorgt ze diverse postacademische cursussen.

Hoe is het volgens u gesteld met de bioveiligheid op Nederlandse pluimveebedrijven?

“Ik vind dat Nederlandse pluimveebedrijven het niet slecht doen. De schrik zit er door al die vogelgriepuitbraken natuurlijk ook flink in. De bioveiligheid is van een hoog niveau. Het bewustzijn is groot. Het zit ‘m in kleine dingen. Vaak zie je dezelfde zwakke plekken.”

Welke plekken zijn dat?

“Het is voor pluimveehouders vaak lastig om hun bedrijven in zones in te delen en een strikte scheiding tussen de vuile en de schone weg te hanteren, zowel op het erf als in de bedrijfsgebouwen. Je hebt als pluimveehouder nu eenmaal te maken met een bestaande situatie. Wanneer het bedrijf eenmaal een bepaalde indeling heeft, dan moet je iedere keer dat je een zone kruist de juiste maatregelen nemen. Dan kan het niet zo zijn dat je toch nog even snel, zonder van schoeisel te wisselen, naar de kadaverton loopt. Daarnaast kom ik bedrijven tegen met openingen, naden en kieren in stallen. In veel gevallen is daar wat aan te doen. Het is belangrijk te zorgen voor goed en consequent onderhoud.”

Welke risicofactoren bent u nog meer tegengekomen?

“Nederland is waterrijk. Veel bedrijven hebben wilde vogels in de buurt. Dat is niet ideaal. Soms is hier niks aan te doen, maar soms ook wel. Je kunt de directe omgeving van de stallen onaantrekkelijk maken voor wilde vogels. Sommige bedrijven gebruiken zelfs een laser om ze te verjagen. Het is ook zaak om ongedierte buiten de deur te houden. De invloed van insecten wordt in mijn optiek onderschat. Tempexkevers – die die via allerlei openingen heen en weer de stal ingaan – zijn bekende verspreiders van ziekteverwekkers.

Ook de aan- en afvoer van materialen zorgen vaak voor een doorbreking van de hygiëne-barrière. Entploegen, vangploegen en eierhandelaren dragen daarin ook verantwoordelijkheid. Alles wat van buiten het bedrijf binnenkomt, moet je zien als mogelijk besmettelijk. Het schoonmaken en desinfecteren van het eierlokaal na het ophalen van de eieren is belangrijk. Daar kruisen wegen elkaar. Ik zie trouwens dat mengvoerbedrijven hun zaakjes over het algemeen heel goed voor elkaar hebben. Het risico op verspreiding via voerwagens lijkt beperkt.”

In de conclusie van het PPS-project wordt aanbevolen kritisch te zijn op bioveiligheidsmaatregelen die voor schijnveiligheid zorgen. Waar wordt op gedoeld?

“Veel desinfectiematten en waterbakken met desinfectiemiddelen missen hun doel volledig. Ze zorgen voor een gevoel van schijnveiligheid. Je zou 5 minuten in zo’n bak moeten staan en het middel iedere dag moeten verversen om een goede werking te garanderen. Wie doet dat nou? Ik zie veel liever een extra wissel van schoeisel. Dat is echt tien keer beter dan zo’n mat of bak.”

 

Veel desinfectiematten en waterbakken missen hun doel volledig


Vanaf medio 2028 moeten pluimveebedrijven verplicht over een doorloopdouche beschikken in de hygiënesluis. Wat vindt u daarvan?

“Indouchen werkt alleen maar in combinatie met goede bedrijfskleding en schoeisel en het voorkomen van het kruisen van wegen. Je moet dus een doorloopdouche hebben. Maar hoe organiseer je dat bij bedrijven met meerdere losse stallen op het erf? Het is wel belangrijk om elke keer de handen te wassen en van schoeisel te wisselen, ook door de veehouder zelf. Idealiter heb je aparte schoenen voor buiten, klompjes in de voorruimte en laarzen in de stal. Voor dierenartsen en voervoerlichters is verplicht douchen uiteraard wel van groot belang. Zij komen op verschillende bedrijven.”

Wat is volgens u het precieze belang van een goede biosecurity?

“Bioveiligheid is niet alleen belangrijk om vogelgriep buiten de deur te houden. Er zijn veel meer ziekteverwekkers zoals salmonella, en ook Newcastle Disease komt de laatste tijd erg dichtbij. En daar kan je als pluimveehouder echt invloed op uitoefenen. Daarom zeggen wij: breng dus de bedrijfsspecifieke risico’s in beeld en pak zwakke plekken aan met een praktisch en maatgericht plan.”

Ook bedrijven met een goede bioveiligheid kunnen besmet raken met vogelgriep?

“Helaas wel. De precieze reden van een vogelgriepbesmetting is soms moeilijk te achterhalen. Sommige bedrijven hebben alles goed voor elkaar en raken toch besmet. Andere bedrijven blijven gevrijwaard van vogelgriep, terwijl je het daar misschien eerder zou verwachten. Een vogelgriepbesmetting kan een traumatische ervaring zijn. Het kan ook demotiverend zijn, zeker als je voor je gevoel alles hebt gedaan om een besmetting te voorkomen. Ik kan me voorstellen dat pluimveehouders daar een fatalistisch gevoel van kunnen krijgen. ‘Heeft het allemaal wel nut wat ik doe?’, vragen zij zichzelf dan af. Dat gevoel is begrijpelijk, maar gelukkig zijn veehouders erg veerkrachtig, en blijven ze wel de schouders eronder zetten.”

Hoe motiveer je pluimveehouders om consequent te blijven handelen?

“Dan gaat het over de sociale wetenschappen. Ik vind het heel interessant om daar onderzoek naar te doen. Pluimveehouders moeten hun gedrag aanpassen en maatregelen nemen. Dat is niet altijd leuk. Hoe krijg je ze dan toch in beweging? Een van onze nieuwe projecten is erop gericht om te onderzoeken welke barrières pluimveehouders ondervinden bij hun handelen. Waar lopen ze in de praktijk tegenaan? Daarbij is het van belang om goed te luisteren. We zijn vaak gewend om veel te zenden en van bovenaf onze wil op te leggen. Dat werkt niet. Het is juist zaak om samen tot een praktisch haalbare aanpak te komen. Welke verbeteringen zijn mogelijk, en hoe maken we het voor iedereen makkelijk om die elke dag vol te houden, ook als het druk is? Sommige pluimveehouders vragen uit eigen initiatief bezoekers een zakje om hun telefoon te doen voor gebruik in de stal. Zo zorg je dat ook na het handen wassen niet alsnog de hygiëne in het geding komt. Dat vind ik een creatieve oplossing.”

Wat zijn uw verwachtingen van vaccineren tegen vogelgriep?

“Alleen vaccineren tegen vogelgriep zal op zichzelf geen 100% bescherming geven. We moeten beseffen dat dit altijd zal moeten samengaan met een goede bioveiligheid. Maar ik hoop wel dat het gaat gebeuren. Het is mooi dat het ministerie, en Avined met sectorpartijen goed werk verrichten om vaccinatie mogelijk te maken zonder dat dit handelsbelemmeringen geeft.”

U werkt ook mee aan internationale onderzoeksprojecten over bioveiligheid. Hoe kijkt u naar de situatie op pluimveebedrijven in het buitenland?

“We zien in ons land heel weinig transmissie tussen bedrijven. Besmettingen op Nederlandse pluimveebedrijven worden vaak snel opgespoord, waarna ook snel wordt gehandeld. Transmissie tussen bedrijven zie je wel vaker in Polen, Hongarije en Frankrijk. Ik kan daar verder niet goed over oordelen. We hebben daar zelf geen onderzoek gedaan. Daar zitten ook heel nette bedrijven en we moeten niet generaliseren. Er spelen meerdere factoren mee.”

 
 

Inloggen op de ledenportal